unbemerkt zu jemandes Nachteil handeln, um sich selbst einen Vorteil zu verschaffen
„Sie haben mir vom Kosakenzipfel kaum was übrig gelassen, Sie haben mir das Zitronencremebällchen weggegessen und wagen es noch…“ - „Ich wage es zu behaupten, dass Sie mich übervorteilen wollen.“
„U hebt mij van de kozakkenpunt nauwelijks wat overgelaten, u hebt mijn citroenroomballetje opgegeten en u durft nog…“ - „Ik durf te beweren dat u mij wilt benadelen.“
Woher stammt dieser Impuls, den anderen zu verunglimpfen, zu übervorteilen - und, was am schlimmsten ist, einander das Vertrauen zu entziehen?
Waar komt deze impuls vandaan om de ander te belasteren, te benadelen - en, wat het ergste is, elkaar het vertrouwen te ontnemen?