eine Person, die (aufgrund der Vererbungslehre mit einem von acht Teilen) von einem Juden abstammt
Wie man inzwischen weiß, unterschied die Reichsgesetzgebung damals zwischen Volljuden, Dreivierteljuden, Halbjuden, Vierteljuden und Achteljuden.
Zoals men inmiddels weet, maakte de rijkswetgeving destijds onderscheid tussen voljoden, driekwartjoden, halvejoden, kwartjoden en achteljoden.
„Er hatte also jüdisches Blut in den Adern. Nicht viel. Aber immerhin doch so viel, dass man ihn als Achteljude würde brandmarken können.“
„Hij had dus joods bloed in de aderen. Niet veel. Maar toch zoveel dat men hem als achteljood zou kunnen brandmerken.“