grammatische Funktion von Satzgliedern, die darin besteht, eine Aussage über Ort, Zeit, Umstand oder Ursache zu machen
In „Peter kam gestern“ ist „gestern“ ein adverbiales Satzglied in der Funktion einer Adverbialbestimmung.
In „Peter kwam gisteren“ is „gisteren“ een bijwoordelijk zinsdeel in de functie van een bijwoordelijke bepaling.
In „Peter schlief den ganzen Tag“ ist „den ganzen Tag“ ein nominales Satzglied in der Funktion einer Adverbialbestimmung.
In „Peter sliep de hele dag“ is „de hele dag“ een nominaal zinsdeel in de functie van een bijwoordelijke bepaling.