Zustand, in dem jemand für sich allein oder zumindest keine unerwünschte Person anwesend ist
„In Wahrheit aber lag ihr weniger an dem Arzt als an einem Alleinsein und einer Aussprache mit dem geliebten Kinde.“
„In werkelijkheid lag haar minder aan de arts gelegen dan aan een alleenzijn en een onderhoud met het geliefde kind.“
„Sie hatte die Nacht in dem vollen Schlafsaal mit den vierzig bis fünfzig Kameradinnen wie immer zubringen müssen, statt endlich einmal das Alleinsein zu genießen.“
„Zij had de nacht in de volle slaapzaal met de veertig tot vijftig vriendinnen als altijd moeten doorbrengen, in plaats van eindelijk eens van het alleenzijn te genieten.“