Art und Weise, mit welcher Formulierung/Wortwahl eine gemeinte Person angesprochen wird
„Die übliche[n] Anredeformen für Personen, deren Namen man kennt, sind Frau beziehungsweise Herr und der Nachname;…“
"De gebruikelijke aanspreekvormen voor personen van wie men de naam kent, zijn mevrouw respectievelijk mijnheer en de achternaam;…"
Zum „Du“: „Zur generellen Anredeform, wie etwa in skandinavischen Ländern, ist es nicht geworden.“
Over het "jij": "Tot algemene aanspreekvorm, zoals bijvoorbeeld in Scandinavische landen, is het niet gekomen."