Die Aufforderung galt meinem Bruder.
De aansporing gold mijn broer.
„Es war eine freundliche Aufforderung, der immer mein Name voranging, wobei er einen fast beschwörenden Ton auf das »E« der Anfangssilbe legte.“
“Het was een vriendelijke aansporing, die altijd door mijn naam werd voorafgegaan, waarbij hij een bijna smekende toon op de E van de beginlettergreep legde.”