lustige Rede, die bei Karneval traditionell in einer Bütt und im jeweiligen Dialekt gehalten wird
Er hielt eine besonders witzige Büttenrede.
Hij hield een bijzonder grappige carnavalsrede.
„In einer Mainzer Büttenrede über den »Letzten Arbeitslosen« fiel 1960 ein Witzlicht über die Arbeitsämter in der beginnenden Saison der Vollbeschäftigung.“
In een Mainzer carnavalsrede over de »laatste werkloze« viel in 1960 een humoristisch licht op de arbeidsbureaus in het beginnende tijdperk van volledige werkgelegenheid.