„Ihre eigene weiße Baumwollbluse hatte kurze Ärmel, und sie trug keine Strümpfe unter ihrem Leinenrock, trotzdem war es ihr viel zu warm.“
„Haar eigen witte katoenen blouse had korte mouwen, en ze droeg geen kousen onder haar linnen rok, toch had ze het veel te warm.“
„Allerdings war sie bekleidet: mit einer langärmeligen Baumwollbluse, Leinenhose und Lederstiefeln.“
„Ze was overigens gekleed: met een katoenen blouse met lange mouwen, een linnen broek en leren laarzen.“