„Trockene, dürre Gräser und verdorrte Bergblumen gediehen hie und da in seichten Betten dunkler Erde, und ein paar verkrüppelte oder vom Blitzschlag gezeichnete Zedern hatten im rissigen Fels Wurzeln geschlagen.“
„Droge, dorre grassen en verdorde bergbloemen gedijden hier en daar in ondiepe bedden van donkere aarde, en enkele kreupele of door de bliksem getekende ceders hadden wortel geschoten in de gebarsten rots.“