„Das Relativpronomen muß mit dem Bezugsnomen übereinstimmen.“
„Het betrekkelijk voornaamwoord moet overeenstemmen met het antecedent.“
„In frei bildbaren syntaktischen Fügungen wie blaues Auto spezifiziert das Farbadjektiv (blau) sein Bezugsnomen (Auto) in einem seiner äußerlich wahrnehmbaren Formmerkmale. der Farbe.“
„In vrij vormbare syntactische verbindingen zoals blauwe auto specificeert het kleurbijvoeglijk naamwoord (blauw) zijn antecedent (auto) in een van zijn uiterlijk waarneembare vormkenmerken, de kleur.“