biologie- de leer respectievelijk natuurwetenschap van het leven, in het algemeen van al het levende
die Lehre beziehungsweise Naturwissenschaft vom Leben, allgemein von allem Lebendigen
Petra studiert Biologie.
Petra studeert biologie.
„Die Entstehung distinktiver Merkmale von Phonemen verläuft unter sprachvergleichendem Aspekt innerhalb bestimmter, wohl durch die Biologie des Menschen gesetzter Grenzen wieder arbiträr.“
„Het ontstaan van distinctieve kenmerken van fonemen verloopt onder taalvergelijkend opzicht binnen bepaalde, wel door de biologie van de mens gestelde grenzen weer arbitrair.”
2
schoolvak biologie- een schoolvak
ein Unterrichtsfach
In der 5. Stunde haben wir Biologie.
In het vijfde uur hebben we biologie.
„Der Sohn meines Fahrers hatte eine zusätzliche Bitte: ob ich ihm bei der Einschreibung für Abendkurse in Biologie und Naturgeschichte behilflich sein könne.“
„De zoon van mijn chauffeur had nog een verzoek: of ik hem kon helpen bij de inschrijving voor avondcursussen in biologie en natuurlijke historie.”