eine sehr dünn ausgetriebene Goldfolie, die meist zur Vergoldung von Gegenständen benutzt wird
„Gold galt als Metall der Götter, besonders des strahlenden Sonnengottes. Die Spitze der Obelisken wurde mit Blattgold überzogen.“
„Goud gold als metaal van de goden, vooral van de stralende zonnegod. De spits van de obelisken werd met bladgoud overtrokken.“
„Vorne auf dem mit zartem Blattgold verzierten Einband prangte das breite Lächeln der Grinsekatze.“
„Vooraan op de met teer bladgoud versierde band prijkte de brede grijns van de Cheshirekat.“