„Der Mond war hinter dem Giebel des kleinen Hauses hervorgekommen; starker, wunderbarer Blumenduft drang aus dem altmodischen Garten, an dessen derbem Zaun sie standen.“
„De maan was achter de gevel van het kleine huis tevoorschijn gekomen; sterke, wonderlijke bloemengeur drong uit de ouderwetse tuin, bij welker stevige hek zij stonden.“
„Durch das Fenster kam Blumenduft.“
„Door het raam kwam bloemengeur binnen.“