„Sie hörte das schwere Schnaufen, das Knarren des Zaums, das Klirren des Eisengeschirrs; dann krachten die Hufe über die Brückenplanken.“
„Ze hoorde het zware gesnuif, het gekraak van het hoofdstel, het geklingel van het ijzeren tuig; toen dreunden de hoeven over de brugplanken.“