schmale, längliche Öffnung, durch die Briefe und anderes Postgut eingeworfen werden können
„Im Briefschlitz steckte das Jeversche Wochenblatt, und auf dem Fußabstreifer lag die Bildzeitung, die sich Oma und Opa mit Kaufholds teilten.“
"In de brievenbusgleuf stak het Jeversche Wochenblatt, en op de deurmat lag de Bildzeitung, die oma en opa met de Kaufholds deelden."
„Es gab Wochen, in denen zwei Briefe durch den Briefschlitz fielen und die Mutter ihre Tochter fragte, ob sie sich in die Briefe oder den Briefschreiber verliebt habe.“
"Er waren weken waarin twee brieven door de brievenbusgleuf vielen en de moeder haar dochter vroeg of zij op de brieven of op de briefschrijver verliefd was geworden."