„Ich warf ihnen Brotkrümel hin, sie schnappten sie auf und stolzierten weiter.“
“Ik gooide hun broodkruimels toe, ze pikten ze op en paradeerden verder.”
„Gedankenverloren klaubte sie Brotkrümel von der Bettdecke.“
“In gedachten verzonken raapte ze broodkruimels van het dekbed.”