„Der wurde gerade von seiner Mutter durchgekitzelt, der hatte Brotmarken versaubeutelt.“
“Die werd net door zijn moeder gekieteld, die had broodbonnen zoekgemaakt.”
„Sie kam gerade aus dem Bäckerladen heraus, mit dem Körbchen am Arm und ein paar Brotmarken in der Hand.“
“Zij kwam net uit de bakkerswinkel, met het mandje aan haar arm en een paar broodbonnen in haar hand.”