„[…] aber meine Tante ließ sich den Jammer nicht nehmen: »Waas wiä haben, is beßchen Roggen, aine Kuh, ain Kalbchen, saure Äppel wenn mechst, Bulwen natierlich, Hiehnerchen ond paar Laufgänse.«“
„[...] maar mijn tante liet zich het jammeren niet ontnemen: »Wat wij hebben, is een beetje rogge, een koe, een kalfje, zure appels als je wilt, aardappels natuurlijk, kippetjes en een paar loopganzen.«“
„Sie sagt Bulwen zu Kartoffeln.“
„Zij zegt aardappels tegen aardappelen.“