„Als er mich sah, rannte er los, warf sich, dick eingepackt in seine blaue Daunenjacke, in meine Arme.“
„Toen hij mij zag, rende hij los, wierp zich, dik ingepakt in zijn blauwe donsjack, in mijn armen.“
„Außerdem waren noch zwei Sanitäter vor Ort, und etwas abseits stand ein Mann zwischen dreißig und vierzig, in einer Daunenjacke, mit Vollbart und Mütze auf dem Kopf.“
„Bovendien waren er nog twee hulpverleners ter plaatse, en iets verderop stond een man tussen dertig en veertig, in een donsjack, met een volle baard en een muts op het hoofd.“