Der Dreiklang am Schluss eines Satzes ist häufig eine Tonika.
De drieklank aan het slot van een zin is vaak een tonica.
„Die Tonfolge eines gebrochenen Dreiklangs, die sich in kurzen Abständen in anschwellendem Maße wiederholte, führte ihn in die Gegenwart zurück.“
„De toonreeks van een gebroken drieklank, die zich met korte tussenpozen in aanzwellende mate herhaalde, voerde hem terug naar het heden.“