Viertelgeviertstrich (‐), der Syntagmen und Sätze als Erstglied eines Kompositums verbindet, aber nicht unbedingt obligatorisch (sowohl Arme-Leute-Essen als auch Armeleuteessen ist möglich)
„Ehrende Onyme als Namensbestandteil werden mit Durchkopplungsbindestrich verbunden.“
„Eervolle oniemen als naamsbestanddeel worden met een doorkoppelingsstreepje verbonden.“
„Bei einigen Nomenkomposita mit unübersichtlichen Phrasen sollte zur Erleichterung für den Leser ein Durchkopplungsbindestrich gesetzt werden, z. B. ‚ihr Das-darf-doch-nicht-wahr-sein-Grinsen‘ gegenüber ihr ‚Dasdarfdochnichtwahrseingrinsen‘.“
„Bij sommige nominale samenstellingen met onoverzichtelijke frasen zou ter verlichting voor de lezer een doorkoppelingsstreepje moeten worden gezet, bijv. ‚haar Dat-kan-toch-niet-waar-zijn-gegrijns‘ tegenover haar ‚Datkan-tochnietwaarzijngegrijns‘.“