„Sie kleiden sich in Röcke aus Biber- und Murmeltierfellen und Rentier- und Elchhäuten, die unten mit Troddeln verziert sind.“
„Zij kleden zich in rokken van bever- en marmotbont en rendier- en elandhuiden, die van onderen met kwastjes zijn versierd.“
„[…] im Westen galt die Elchhaut als hieb- und stichfest, […].“
„[…] in het westen gold de elandhuid als houw- en steekvast, […].“