„Ein Enterich erwachte im Röhricht und schalt laut und böse in die Nacht hinein.“
„Een woerd ontwaakte in het riet en schold luid en boos de nacht in.“
„Nur dann und wann, wenn eine hochaufspritzende Welle in seine Ohrmuschel schlug, oder wenn ein vorüberschwimmender Enterich nach seinem Fingerlein schnappte, wimmerte er wieder auf.“
„Alleen af en toe, wanneer een hoog opspattende golf in zijn oorschelp sloeg, of wanneer een voorbijzwemmende woerd naar zijn vingertje hapte, begon hij weer te jammeren.“