„Der gute Rittmeister Joachim von Prackwitz - er fand nur die Extravaganzen anderer Leute verdächtig, über die eigenen dachte er vollkommen wohlwollend.“
„De goede ritmeester Joachim von Prackwitz - hij vond alleen de extravaganties van andere mensen verdacht, over de zijne dacht hij volkomen welwillend.“
„Sie war versucht, diese Höflichkeit zu durchbrechen, die polierte Oberfläche ihrer Sanftheit anzukratzen mit ihrer Extravaganz.“
„Zij was geneigd deze beleefdheid te doorbreken, het gepolijste oppervlak van haar zachtheid te bekrassen met haar extravagantie.“