„Das Mädchen kramte in seinem Täschchen und hielt mir einen Fünfzigmarkschein hin.“
„Het meisje rommelde in haar tasje en hield mij een vijftigmarkbiljet voor.“
„Schlump bekam einen Fünfzigmarkschein in die Hand gedrückt, den er in die hintere Hosentasche steckte.“
„Schlump kreeg een vijftigmarkbiljet in de hand gedrukt, dat hij in de achterzak van zijn broek stak.“