„Ich bin ein kindischer und schwacher Fant, […]“
„Ik ben een kinderachtig en zwak groentje, […]“
„Den Straßburger Münster sah ich nur von fern; er wackelte mit dem Kopfe, wie der alte getreue Eckart, wenn er einen jungen Fant erblickt, der nach dem Venusberge zieht.“
„De Straatsburgse munster zag ik alleen van ver; hij schudde met het hoofd, zoals de oude trouwe Eckart, wanneer hij een jong groentje ziet dat naar de Venusberg trekt.“