„Die herrliche Abendsonne beschien mit ihren goldenen Strahlen einen großen Fichtenbaum, welcher an einer felsigen Berghalde stand.“
„De heerlijke avondzon bescheen met haar gouden stralen een grote spar, die op een rotsachtige berghelling stond.“
„Der Fichtenbaum gehört dem Norden an, die Palme dem Morgenlande und den tropiſchen Gegenden.“ [1874]
„De spar behoort tot het noorden, de palm tot het Morgenland en de tropische streken.“ [1874]