„Während des Telefonats schweifte Toms Blick über den schneeweißen Fliesenboden seines Wohnzimmers.“
“Tijdens het telefoongesprek dwaalde Toms blik over de sneeuwwitte tegelvloer van zijn woonkamer.”
„Der Fliesenboden hatte Löcher, die Wände waren feucht.“
“De tegelvloer had gaten, de muren waren vochtig.”