Teilgebiet der Grammatik, speziell der Morphologie (Morphemik), das sich mit den Flexionsformen befasst.
Die Formenlehre des Deutschen umfasst die Flexionsformen der Deklination, Komparation und Konjugation.
De vormenleer van het Duits omvat de buigingsvormen van de verbuiging, trappen van vergelijking en vervoeging.
„Nach traditioneller Auffassung beschreibt die Morphemik die Arten und Formen der Wörter (…). Sie wird auch als Wortartenlehre, Wortlehre, Formenlehre oder Flexionslehre bezeichnet.“
„Volgens de traditionele opvatting beschrijft de morfemiek de soorten en vormen van de woorden (…). Zij wordt ook als woordsoortenleer, woordleer, vormenleer of buigingsleer aangeduid.“