etwas, das besonders Frauen betrifft, interessiert, für das Frauen zuständig sind
„Kindererziehung ist in Deutschland immer noch Frauensache, nur jeder vierte Vater geht in Elternzeit.“
“Kinderopvoeding is in Duitsland nog steeds een vrouwenzaak, slechts een op de vier vaders gaat met ouderschapsverlof.”
„Sie war dort wegen einer Frauensache operiert worden, der dortige Klinikleiter ein ausgewiesener Spezialist.“
“Zij was daar geopereerd voor een vrouwenzaak, de toenmalige kliniekdirecteur een uitgesproken specialist.”