„Das war zumeist der Hals von einer Gans, der mit einer Masse aus Rindsfett, faschiertem Fleisch, Grammeln aus dem Ganslfett, Leberstücken und ein bißchen Mehl gefüllt und dann vernäht wurde.“
"Dat was meestal de hals van een gans, die met een massa van rundervet, gehakt vlees, kaantjes uit het ganzenvet, stukjes lever en een beetje meel werd gevuld en daarna dichtgenaaid."
„Etwas Ganslfett in eine Pfanne geben und darin die Apfelhälften auf beiden Seiten anbraten.“
"Wat ganzenvet in een pan doen en daarin de appelhelften aan beide kanten aanbraden."