„Da sagte der Mensch: Diese endlich ist Gebein von meinem Gebein und Fleisch von meinem Fleisch; diese soll Männin heißen, denn vom Mann ist sie genommen.“
“Toen zei de mens: Deze is eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; deze zal mannin heten, want van de man is zij genomen.”
2
gebeente- stoffelijke resten, in het bijzonder botten; skelet van een dode
sterbliche Reste, besonders Knochen; Skelett eines Toten
„Doch dann zwingen Angriffe der Wikinger die Hüter der Gebeine erneut zur Flucht.“
“Maar dan dwingen aanvallen van de Vikingen de bewakers van het gebeente opnieuw tot de vlucht.”
„Zwölf Jahre später wurden seine Gebeine nach Caracas überführt.“
“Twaalf jaar later werd zijn gebeente naar Caracas overgebracht.”