„Mit dem wie ein Geierschnabel hakenförmig gebogenen Kiefer können sie kräftig zuschnappen.“
„Met de als een giersnavel haakvormig gebogen kaak kunnen ze krachtig toehappen.“
„Die Geierschildkröte hat ein spitzes Maul, das an einen Geierschnabel erinnert.“
„De alligatorschildpad heeft een spitse bek die aan een giersnavel doet denken.“