„Ein Mann schlägt ihm den Gewehrkolben über den Kopf, und Oleka fällt zur Seite.“
„Een man slaat hem met de geweerkolf op het hoofd, en Oleka valt opzij.“
„Mit dem Gewehrkolben brachen sie ein paar Gebäude auf und durchkämmten sie.“
„Met de geweerkolf braken ze enkele gebouwen open en kamden ze die uit.“