Gockel krähen, Hühner gackern, Glocken läuten, das Wasser gluckst.
Hanen kraaien, kippen kakelen, klokken luiden, het water klokt.
» […] Da kenn' ich einen, um den kein Gockel krähen möcht.«
»Ik ken er een naar wie geen haan zal kraaien.«
2
machoman- man die zijn mannelijkheid tentoonspreidt
Mann, der seine Männlichkeit zur Schau stellt
Es war die Zeit, in der die Frauen Freiwild waren, die Männer Gockel und die Gattinnen Legehennen.
Het was de tijd waarin de vrouwen vrij wild waren, de mannen machomannen en de echtgenotes legkippen.
»Wer kann das wissen?« »Ich weiß es; denn August ist erst achtundfünfzig, aber nochmals zu heiraten, würde ihm sauer werden. Warum will denn der alte Gockel noch einmal heiraten?«
»Wie kan dat weten?« »Ik weet het; want August is pas achtenvijftig, maar opnieuw trouwen zou hem zuur opbreken. Waarom wil die oude machoman nog eens trouwen?«