„An den restlichen Tagen kam das auf den Tisch, was man auf dem Markt ergattern konnte: manchmal Graupen mit Kohl, manchmal Brot mit Schmalz.“
„Op de overige dagen kwam op tafel wat men op de markt kon bemachtigen: soms gort met kool, soms brood met reuzel.“
„Sie nippte an dem Braten wie ein Vögelchen und aß ein paar Graupen und trank drei Mundvoll Wein.“
„Ze nipte aan het gebraad als een vogeltje en at een beetje gort en dronk drie slokjes wijn.“