jemand, der einen relativ großen Anteil am Grundkapital einer Aktiengesellschaft besitzt
„Metro-Großaktionär Haniel ist unzufrieden mit seiner Beteiligung. Die Werteenwicklung entspreche seit Jahren nicht den Erwartungen.“
„Metro-grootaandeelhouder Haniel is ontevreden over zijn deelneming. de waardeontwikkeling beantwoordt sinds jaren niet aan de verwachtingen.“
„Denn Großaktionär Petrus Advisers hat dem Vorstand des Unternehmens in einem offenen Brief Missmanagement vorgeworfen.“
„want grootaandeelhouder Petrus Advisers heeft het bestuur van de onderneming in een open brief wanbeheer verweten.“