uiterlijk- uiterlijke verschijning van een levend wezen of een groep levende wezens
äußere Erscheinung eines Lebewesens oder einer Gruppe von Lebewesen
Die Kraniche ähneln im Habitus den Schreitvögeln.
De kraanvogels lijken qua uiterlijk op de steltlopers.
Man kann einen Baum auch im Winter, wenn er keine Blätter hat, an seinem Habitus erkennen.
Een boom is ook in de winter, wanneer hij geen bladeren heeft, aan zijn uiterlijk te herkennen.
2
habitus- gedrag van een levend wezen
Verhalten eines Lebewesens
Er ist schon über dreißig, wirkt aber seinem Habitus nach noch wie ein Jugendlicher.
Hij is al over de dertig, maar komt qua habitus nog over als een jongere.
„Im vorangegangen Kapitel ist mehrfach der Begriff des Habitus gefallen. So wurde erwähnt, dass die herrschende Klasse sich unter anderem durch einen klassenspezifischen Habitus auszeichnet.“
„In het voorgaande hoofdstuk is meermaals het begrip habitus gevallen. Zo werd vermeld dat de heersende klasse zich onder meer door een klassenspecifieke habitus onderscheidt.“