„Eine besonders genaue Aufsicht ist in dieser Hinsicht über die wandernden Handwerksburschen, Handelsjuden und dergleichen Personen zu führen.“ (1831)
„Een bijzonder nauw toezicht moet in dit opzicht op de rondtrekkende ambachtsgezellen, joodse handelaren en dergelijke personen worden gehouden.“ (1831)
„Die Bauern hatten kein eigenes Vieh im Stalle, es gehörte dem Handelsjuden, von dem sie es nicht gekauft, sondern geborgt hatten.“ (1877)
„De boeren hadden geen eigen vee in de stal, het behoorde toe aan de joodse handelaar, van wie zij het niet hadden gekocht, maar geleend.“ (1877)