„Im Handschuhfach entdeckte er eine Taschenlampe, ein Fernglas, einen Schraubenzieher und eine alte Zeitung.“
„In het dashboardkastje ontdekte hij een zaklamp, een verrekijker, een schroevendraaier en een oude krant.“
„Die dritte ging durch die Rückenlehne des Beifahrersitzes und machte ein Loch in die Klappe des Handschuhfachs.“
„De derde ging door de rugleuning van de bijrijdersstoel en maakte een gat in de klep van het dashboardkastje.“