eine Rede oder Ansprache in der zu Feindseligkeit, Gewalt und Hass aufgerufen beziehungsweise aufgehetzt wird (häufig mit religiösem Bezug)
“Die Hasspredigt landete auf YouTube und löste einen landesweiten Skandal aus.”
“De haatpreek belandde op YouTube en veroorzaakte een landelijk schandaal.”
„Diese Kriegspropaganda ging unvermindert weiter, auch als der Krieg schon vorbei war und eigentlich keine Notwendigkeit mehr bestand, die Hasspredigten über den Feind fortzuführen.“
„Deze oorlogspropaganda ging onverminderd door, ook toen de oorlog al voorbij was en er eigenlijk geen noodzaak meer bestond de haatpreken over de vijand voort te zetten.“