„Er sah Mareike mit weißem Kopftuch und grauer Schürze auf einem Erntewagen, wie sie Garben legte, während Heukähne den Strom hinabfuhren.“
„Hij zag Mareike met een witte hoofddoek en een grijze schort op een oogstwagen, terwijl ze schoven legde, terwijl hooischuiten de stroom afvoeren.“
„Da klang aus den Erlen der Sprosser Singen
„Daar klonk uit de elzen het zingen van de nachtegaal