„Lee lachte: ›Ich habe eben mein Privileg. Übrigens nennt ihr ihn ja auch hinter seinem Rücken ›Itzig‹ und ›Jiddenbengel‹, also was kann es euch stören?‹“
„Lee lachte: ›Ik heb nu eenmaal mijn privilege. Overigens noemen jullie hem achter zijn rug ook ›Itzig‹ en ›jodenjongen‹, dus wat kan het jullie schelen?‹“