„Dass er sich gern als Strichjunge verkleidet in Tavernen herumtrieb und Kamelfersen aß, mag man dem Cäsaren verzeihen.“
„Dat hij zich graag als schandknaap verkleed in kroegen rondhing en kameelhielen at, mag men de caesar vergeven.“
„Den Gipfel der Raffinesse bildeten die scharf gewürzten Kamelfersen.“
„Het toppunt van raffinement vormden de scherp gekruide kameelhielen.“