„Er verdrehte den Kopf und beäugte die Karamellbonbons misstrauisch von der Seite.“
"Hij draaide zijn hoofd om en bekeek de karamelbonbons wantrouwig van opzij."
„Er weiß, dass Alice in ihren Pausen gern Karamellbonbons isst.“
"Hij weet dat Alice in haar pauzes graag karamelbonbons eet."