frecher und ungezogener, aber häufig auch pfiffiger Junge; häufig abwertend gemeint, seltener wohlwollend
„Manchmal fällt es schwer, diesen Lausebengel zu lieben. Aber witzig sind seine Streiche, das muss man ihm lassen!“
"Soms is het moeilijk om van deze deugniet te houden. Maar grappig zijn zijn streken, dat moet je hem nageven!"
So hat [der schriftstellernde Jurist Dr. Heinz] Grunow in Wolfenbüttel einmal beobachtet, wie ein Lausebengel mittels eines Angelhakens aus einem Garten Wäsche klaute.
Zo heeft [de schrijvende jurist dr. Heinz] Grunow in Wolfenbüttel eens gezien hoe een deugniet met een vishaak uit een tuin wasgoed stal.