Die sog. Lautgesetze geben viele Beispiele von Lautwandel an. In der zweiten, hochdeutschen Lautverschiebung wurde z.B. germanisch [t] (germ. "holta" "Holz") zu althochdeutsch [ts] (ahd. "holz").
De zgn. klankwetten geven veel voorbeelden van klankverandering. In de tweede, Hoogduitse klankverschuiving werd bijv. Germaans [t] (Germ. "holta" "Holz") tot Oudhoogduits [ts] (ohd. "holz").
„Dieser Lautwandel sondert die süd- und mitteldeutschen Mundarten, zusammenfassend Hochdeutsch genannt.“
"Deze klankverandering scheidt de Zuid- en Middelduitse dialecten, samenvattend Hoogduits genoemd."