„Er roch das Lavendelparfüm, das von ihrem Halsbündchen und den Ärmeln ihrer gehäkelten Jacke ausging und sich mit dem strengen Geruch des Torfs vermischte, in dem sie ihre Pflanzen zog.“
„Hij rook het lavendelparfum dat van haar halsboord en de mouwen van haar gehaakte jasje uitging en zich vermengde met de strenge geur van het veen waarin zij haar planten kweekte.“
„Schließlich erschien sie wieder und duftete nach frisch aufgetragenem Lavendelparfüm.“
„Ten slotte verscheen zij weer en geurde naar vers opgebracht lavendelparfum.“