levenswijze- de manier oftewel de eigenaardigheid om het eigen leven vorm te geven en te leiden
Die Art und Weise bzw. Eigenart sein eigenes Leben zu gestalten und zu führen
Sie genießt die feine Lebensart.
Zij geniet van de verfijnde levenswijze.
„Ich fand dort keine feine Lebensart, denn König August war nicht fein, und die Sachsen sind es von Natur aus nicht, wenn ihnen der Herrscher nicht das Beispiel gibt.“
„Ik vond daar geen verfijnde levenswijze, want koning August was niet verfijnd, en de Saksen zijn het van nature niet, als de heerser hun niet het voorbeeld geeft.“
2
levensstijl- levensstijl, levensvormgeving
Lebensstil, Lebensgestaltung
„Sie soll auf einem Internat Lebensart lernen, ist mehrere Jahre fort.“
„Zij moet op een internaat levensstijl leren, is meerdere jaren weg.“
„Die unkomplizierte Lebensart der Polen steht der Stadt.“
„De ongecompliceerde levensstijl van de Polen past bij de stad.“