Gesamtheit dessen, was eine Person in ihrem Leben umtreibt, immer wieder beschäftigt
„Und plötzlich nun das Gegenteil davon in Berlin, wo Berührungen jeder Art, unaufhörliche, zum eigentlichen Lebensinhalt geworden waren.“
„En plotseling nu het tegenovergestelde daarvan in Berlijn, waar aanrakingen van elke soort, onophoudelijke, tot de eigenlijke levensinhoud waren geworden.“
„Die Arbeit im Kontor stellte jedoch nicht den wichtigsten Lebensinhalt des jungen Mannes da: Denn mehr noch verstand er sich als Dichter.“
„Het werk op het kantoor vormde echter niet de belangrijkste levensinhoud van de jonge man: want hij zag zichzelf nog meer als dichter.“